zaterdag 24 april 2010

Introductie


Mijn naam is Jan Feringa. Ik doe genealogisch en historisch onderzoek voor mijzelf en anderen, zie http://194.171.109.12/download/cbg_nl_eng_lijst%20onderzoekers_200901.pdf.
In deze blog is van alles te vinden over genealogie.
Op mijn oude website stond ook genealogische data. Dat is allemaal verhuisd naar Rootsweb en Geneanet. Ziehttp://wc.rootsweb.ancestry.com/cgi-bin/igm.cgi?db=feringa en http://gw1.geneanet.org/index.php3?b=feringaj.
Ik realiseer me dat deze informatie een stuk beknopter is dan op mijn oude site. Heb je vragen of verzoeken (kwartierstaten, etc.), mail me gerust (zie envelopjes onder de blogs), dan stuur ik je de gevraagde informatie toe.

Kijk vooral bij de verschillende blogs!

Het klooster Wietmarschen

De Urbar (grondboek) van het klooster Wietmarschen

In Wietmarschen (20 km. ten zuiden van Meppen) is van de 12e tot begin 19e eeuw een klooster gevestigd geweest. Dit klooster speelde een belangrijke rol in het feodale stelsel dat al vanaf de 9e eeuw van kracht is in deze regio. Van dit klooster zijn regesten bewaard gebleven (verzameld en uitegegeven door Wilhelm Kohl in 1973) en een Urbar (grondboek) uit 1571. Dit Urbar is een belangrijke bron voor historici en genealogen en bevat vele vermeldingen over Nederland, bv. over het nabijgelegen klooster van Sibculo en het huis Ootmarsum. Een transcriptie van deze bron staat in het boek "Kloster und Stift Wietmarschen" van Heinrich Specht uit 1951 (Bentheimer Heimatverlag Nordhorn). Dit boek van Specht bevat naast de transcriptie veel additionele informatie, waaronder een namenregister op de Urbar. Beide boeken zijn uiteraard niet meer in de handel, bij antiquarische aanschaf moet op ca. 35 euro gerekend worden.

Het klooster Wietmarschen

Het klooster is gesticht door de ridder Hugo van Büren. Zijn gemeenschap was eerst gevestigd te Weerselo. Toen het door Heribert, bisschop van Utrecht, toegewezen gebied daar na 10 jaar te klein bleek, is hij naar Gravin Gertrud von Bentheim gegaan om te vragen of ze zich mochten vestigen in een "zekere moerassige vlakte, Wytmersch genoemd". Dit lag tussen de buurtschappen Baclo (Bakelte) en Lohn. De monnik Hildebrand, aanbevolen door het Benedictijner St. Paulusklooster in Utrecht, werd in 1152 feestelijk als eerste abt binnengehaald in Wietmarschen.
Het klooster was van 1152 tot 1259 een gemengd Benedictijnerklooster (samen met Weerselo onder één abt) en van 1259 tot 1675 een Jung-Frauenkloster (onder een proost en priorin). Vanwege de onevenwichtige verhouding tussen de nonnen (weinig) en adellijke "Jüffern" (veel) wijzigde Bisschop Bernard van Galen het klooster in 1675 in een "Freiweltlichen Damenstift Wietmarschen", onder een abdis. In 1811 is onder het Franse regime het klooster opgeheven. Enkele oude gebouwen bestaan nog, vaak ingrijpend verbouwd.
Het bezit van het klooster groeide gestaag, in de Urbar van 1571 worden in totaal 139 schatplichtige "Erben, Kotten oder andere Wohnstätten" vermeld, niet alleen in het kerspel Wietmarschen maar ook ten noorden daarvan, in het zuiden van het Emsland. De bewoners van deze boerderijen verschilden onderling qua positie in het feodale stelsel. Er was een groep die "heel ende al eghen" was, waar de kinderen niets konden erven van vader of moeder. Anderen moesten bij overlijden de helft van de roerende goederen afstaan. Naast deze horigen waren er ook de zogenaamde Blutfreien, die bij overlijden slechts het "Eine Beste" moesten afstaan. Er waren ook vrije mensen onder de bewoners van bovengenoemde boerderijen, met name kinderen. Voor overname van een boerderij kwamen overigens alleen horigen in aanmerking, doorgaans de oudste zoon van de vorige hoofdbewoner, de "Erflinck"of "Erffvolger".
De bewoners droegen normaalgesproken als achternaam de naam van de boerderij. Als een bewoner wegtrok naar een andere bestemming buiten de jurisdictie van het klooster kon dat alleen door geruild te worden (een Wessel) met een horige uit de andere streek of vrij te worden (normaliter tegen een forse vergoeding). Vrije mensen konden namelijk wegtrekken of huwen zonder toestemming van het klooster. Van iedere horige die vertrok zou dus in principe een Wessel of "Vriheit" te vinden moeten zijn. Dit is echter regelmatig niet het geval, vooral vanwege heimelijk vertrek naar bestemmingen waar niet zwaar werd getild aan deze regels (zoals Groningen en Drenthe).

De Urbar

Ene J.V.S., vermoedelijk de "Amtmann" van het klooster, is de auteur van een manuscript uit 1571, de Urbar. Dit manuscript is na veel omzwervingen ca. 70 jaar geleden aangekocht door het Staatsarchief Osnabrück (Rep. 1. No. 296 Staatsarchiv Osnabrück). In het manuscript zijn aanvullingen te vinden van 1571 tot 1577. De belangrijkste onderdelen zijn het "Wesselboick", waarin de ruil van horigen met andere kloosters en leenheren beschreven staat en een beschrijving van alle schatplichtige "Erve, Kotten und andere Wonstede" incl. genealogische informatie over de bewoners en hun voorgangers (soms 4 of 5 generaties).
Het bijzondere van deze 16e eeuwse bron is dat de behandelde personen en families over het algemeen niet tot de bovenlaag van de bevolking behoorden, zoals bij andere bronnen uit deze tijd bijna altijd het geval is. Uit de Urbar valt voor genealogen veel interessante informatie te halen. Deze genealogische informatie is soms zeer gedetailleerd (bv. doopdata) en gaat vaak terug tot ruim voor 1500. Uit het nageslacht van deze families (bv. Hadewert / Hadwerding, Hermelinck, van der Lage / Lageman, Lugering, Lyndeman, Mencken, Niehoff, Schiller, Schulte, Schyvink, Sickink, Suthoff, Tegeder, Teusinck, Tungerloe, Wichboldes, etc.) zijn later veel mensen naar onze streken getrokken.
Ook bevat de Urbar een lijst met mensen die vrij gelaten zijn, dwz. afscheid hebben kunnen nemen van de status van horige.

woensdag 7 april 2010

Oud voorgeslacht

Mijn kwartierstaat was al een stuk 'ouder' geworden door de link met de familie Von Langen (in jongere generaties ook wel Langen genoemd, in Nederlands gebied ook wel Van Langen). Dit is de familie met de vijf ruiten in het wapen, niet te verwarren met het andere oude geslacht Von Langen met de schapeschaar in het wapen. Dit geslacht komt voor in het kwartier van mijn betovergrootmoeder Maria Margaretha Bergmann (1843-1922), echtgenote van 'Kras Rouf' (Rudolph Rolfes) en schoonmoeder van mijn overgrootvader 'Minne' Feringa.
Inmiddels ben ik erachter gekomen dat de schoonmoeder van mijn opa Jan Feringa, Anna Adelheid Borgmann (1877-1967), nakomeling is van beide adellijke families Von Langen.
Ook bij Wijka blijkt een link naar veel oud en adellijk voorgeslacht te bestaan. De link is de echtgenote van haar betovergrootvader Tonnis Oldenburger, Anna Kaspers Smedeman. Haar moeder is Aaltje Hofman, haar oma is Anna Selhuisen (familie komt oorspronkelijk uit de omgeving van den Haag, waarschijnlijk Voorschoten). Anna Selhuisen's oma aan vader's kant is Alina Roemeling. Van diens vader, Theodoricus Roemelingh (1627- 1667 Farmsum), is zowel aan vaders' als aan moeders' kant veel oud voorgeslacht bekend, onder andere de familie Von Münster (stam ik ook vanaf) en Karel de Grote. 
De eerste drager van de naam Von Langen met de schapeschaar in het wapen, is Wobbeke von Langen (ca. 1615 -1687, 11 generaties vóór mij). Deze familie bestaat voornamelijk uit rechters en burgmannen en gaat terug tot Jakob von Langen (ca. 1245 - na 1308), burgman en Drost van het Niederstift Münster.
De eerste drager van de naam (Von) Langen uit de andere tak is, Metta Tecla von Langen (1656 - 1710), komt voor in mijn 10e generatie, de stamvader Conradus Longus (ca. 1050 - na 1086) in de 30e generatie. Van bepaalde generaties is erg weinig bekend, over anderen (bv. de schildknaap Egbert I von Langen, die rond 1400 leefde) is in diverse bronnen informatie te vinden. Egbert Von Langen, de bastaard uit de 17e generatie, draagt nog het familiewapen, weliswaar met een roos in de linkerbovenhoek (vanwege de onzuivere afstammming). Bij de jongere generaties vinden we het wapen met de ruiten niet meer terug.
De informatie over de beide families Von Langen ontleen ik vooral aan Bernd Josef Jansen, verder aan Ger Straatman, "Die Rittersitze des Emslandes" van Rudolf von Bruch en "Lathen, ein Dorf an der Ems" van Hermann Frerker. De grote kenner van de tak met de ruiten in het wapen, de Kölner archivaris Franz Josef Goldmann, is helaas overleden voor hij tot publicatie van een boek over deze familie was gekomen. Van zijn hand is 20 jaar geleden wel een Ahnenliste gepubliceerd in "Emsländische und Bentheimer Ahnenlisten".
De informatie over de familie Roemeling komt met name van de heren O.D.J. Roemeling en Henny Savenije.
Voor het familiewapen Von Langen (met de ruiten in het wapen), zie hieronder (met dank aan Ger Straatman)

maandag 5 april 2010

Genealogische links

Genealogie-sites uit het Nedersaksische taalgebied:
http://wc.rootsweb.ancestry.com/cgi-bin/igm.cgi?db=feringa Mijn data, geschoond van mensen die nog leven
http://berndjosefjansen.de/ Ongelooflijk uitgebreide kwartierstaat, heel veel Emsland
http://berndjosefjansen.de/lueken/ansgar-frm3.htm Nog zo'n diepe kwartierstaat, ook door Bernd gemaakt
http://www.xs4all.nl/~fjmblom/ Web-site Pauline Berens (Barger-Compascuum, genealogie, etc.)
http://members.home.nl/sjouwke/ Gespecialiseerd in het Groningse Hogeland, warm aanbevolen
www.genealogiegroningen.nl/ Heel veel informatie over genealogie in Groningen, Harm Selling
http://www.xs4all.nl/~jbsijbom/gen_alg1.html Drentse families als Peters, Prinsen, Reuvers, Sibum
http://www.lamain.nl/ Oedipus-software, voor onderzoekers in Groningen onmisbaar
http://www.xs4all.nl/~teijodkp/ Veel genealogische informatie, Groningen en omstreken
http://www.homanfree.nl/ Drenthe, Groningen, Zuid Holland en Ost-Friesland (Dld).
www.emslanders.com Namen van emigranten vanuit Emsland naar USA
http://home.kpn.nl/duifjes2/doopboek.htm Familienamen in het doopboek van Zuidbroek/Muntendam
http://www.macatawa.org/~devries/BentheimCem.html Namen van grafstenen in het graafschap Bentheim
http://members.chello.nl/~c.feringa/ Veel Groningen, ook Indië, Rusland, Frankrijk
http://www.reenders.com/tax-bedum.shtml Groningen, onder andere taxatielijsten 1730-1731
http://www.einhaus.nl/ Overijssel, familie Einhaus / Enhus / Kohnen
Zoeken op namen:
www.genlias.nl Zoeken in de NL burgerlijke stand (nog incompleet)
www.allegroningers.nl Zoeken in Burgerlijke Stand (bijna compleet) en kerkboeken (bijna compleet) provincie Groningen
www.drenlias.nl Hetzelfde verhaal voor de provincie Drenthe
http://www.cyndislist.com/ Ongelooflijke groot en populair, Engelstalig
NedGen Genealogische Zoekmachine Nieuw, Nederlandstalig
www.xanten.org Namendatabase van Alfons Santen
Nederlandse sites:
www.stamboompagina.nl Genealogische startpagina
Buitenlandse sites:
www.ellisislandrecords.org Registratie buitenlandse personen via Ellis Island
http://www.kirchliche-archive.de/ Overzicht RK kerkarchieven in Duitsland

Feringa in Oberbayern

Feringa in Oberbayern
Bij de plaats Unterföhring (bij München en Oberföhring) bevindt zich een Feringa See. In de plaats staat een Feringa Hotel aan de Feringastrasse. De naam van de plaats blijkt afkomstig te zijn van de Feringa's, bewoners van Fara of Fero. Dit blijkt uit een akte van 807, waarin een rechtshandeling beschreven wordt, die zich in een plaats afgespeeld heeft, die Föhring genoemd werd. Hiermee wordt zowel Unter- en Oberföhring bedoeld.
Pas in een akte uit 1180 van de Hoch Stift Freising wordt Unterföhring apart vermeld. In die tijd sloot Hertog Heinrich der Löwe de Salzstraße bij Feldkirchen af, om hem daarna om te leiden naar München om op die manier zelf de zoutpenningen te kunnen incasseren. Met de beslissing de tolheffing op zout naar "Munichen" over te hevelen, is de stichting van München verbonden. Zie ook www.unterfoehring.de(met dank aan Josef Fercher).
Van Christine Mathis-Huber kreeg ik nog de volgende aanvulling over de oude marktplaats Pförring (iets noordelijker, bij Ingolstadt):
Ein Ausschnitt aus dem Buch Pförring, Faringa, Vergen, Pferingen. Die älteste urkundliche Erwähnung aus dem Jahre 787 n. Chr. weist Pförring als „Faringa" aus. Einhardt, der Biograph Karls des Großen, schreibt in den „Annales Regni Francorum" anläßlich eines Streites zwischen Kaiser Karl und dem Bayernherzog Tassilo: „Tunc Rex Carolus iussit, alium exercitum fieri super Danubium fluvium in loco, qui dicitur Faringa." Zu Deutsch: „Dann befahl König Karl, ein anderes Heer über die Donau zu setzen, an dem Ort, der Faringa genannt wird."

De naam Feringa


De naam Feringa
De naam Feringa komen we al omstreeks het jaar 800 tegen in een heel ander taalgebied, namelijk Oberbayern.
In ons taalgebied bestaat de naam Feringa uit twee delen. Het eerste deel verwijst naar een voornaam. Er is vroeger in Noordoost-Nederland (blijkbaar niet in Oost-Friesland) een voornaam Fere, Feer, Veer in gebruik geweest, die de basis vormt van de naam Feringa. Daarnaast komen ook voor Feersema, Ferenga, Feeringa, Veersema enz.
Dr. Ebeling heeft in 1444 een Bene Verynge in Ees gevonden (Ord. Etstoel no. 2423) en aldaar ook een Johan Verynge in 1494 (Inv. arch. kloosters no 822). De naam Feringa wordt eind 15e eeuw al gesignaleerd in Kollum (Eje of Ije Feringa) en in 1508 bij Sebaldeburen (Meyne Feringa, zie link ).
In “De Ommelander Borgen en Steenhuizen” van Formsma wordt vermeld dat in de 16e eeuw al diverse leden van een familie Feringe aan worden getroffen, met name Pabe, Jelto en Itke. In "Tussen Hunze en Lauwers" van G.H . Ligterink komen een Pabe Feringe en Lubbe Feringa voor. Pabe Feringe is niet alleen bezitter van grote heerden, maar ook lid van het vechtersgilde van Langewold. Hij wordt in 1520 veroordeeld door de Westerwarf in Groningen. Op Aykemaheerd in de Westerhorn speelt zich kort na 1500 een handgemeen af waarbij is betrokken Lubbe Feringa van Lutjegast-Noord.
In 1573 huurt Weghe Feringa kerkeland; samen met Allert Boykema en Johan Ennens is hij eigenaar van 14 grazen land in Ezinge (uit "Een vergeten plattelandselite" van H. Feenstra en H.H. Oudman).
Het tweede deel van de naam is het suffix, het achtervoegsel -inga dat met name in Friesland en Groningen geregeld voor de vorming van familienamen werd gebruikt. Het is afkomstig uit de Oudfriese periode (tot ca. 1550) en bestond in die tijd zelf eveneens uit twee delen: -ing plus -a. Met -ing werd in vele Germaanse talen het behoren tot een persoon of groep aangeduid; de -a is een Oudfriese naamvalsuitgang. In Drenthe komen we in vroegere tijden vooral -inge tegen.
Het is goed mogelijk dat mensen die later de familienaam Feringa aangenomen hebben, niet de bewuste voornaam voor ogen hebben gehad, maar een veer = overzet of een veder. Naamkundigen noemen dat secundaire motivatie en dat is zeker vaker voorgekomen.
In Johan Winklers Naamlijst uit 1898 wordt n.a.v. de mannelijke voornaam Fere en varianten ook op de Feringa-state (een hoeve) in Visvliet gewezen. Ook bekende heerden (Ipo Feringestede bij Sebaldeburen-boven, Noorder- en Zuider-Feringe onder Lutjegast) kunnen een rol gespeeld hebben bij de bekendheid van deze naam. Ik denk zelf echter eerder aan de invloed van de borg Feringa bij Grootegast (voortgekomen uit de heerd Feringestede) en de invloedrijke familie De Hertoghe van Feringa, ooit bewoners van deze borg. In de Franse tijd ontstaat een aantal “nieuwe” Feringa’s juist in deze streek.
De bewuste borg is overigens in de tweede helft van de 18e eeuw gesloopt (zie ook Formsma), maar de familie De Hertoghe bleef de titel “van Feringa” voeren. In de 19e eeuw sterft deze familie uit.
Met dank aan Dr. R. Ebeling, gepensioneerd universitair docent naamkunde aan de RUG en dhr. K. Feringa (auteur stadgeschiedenis van Groningen "Een Stoere Stad").

Verschillende families met de naam Feringa / Veringa


De naamkundige Dr. R. Ebeling heeft in 1444 een Bene Verynge in Ees (Dr.) gevonden (Ord. Etstoel no. 2423) en aldaar ook een Johan Verynge in 1494 (Inv. arch. kloosters no 822). De naam Feringa wordt eind 15e eeuw al gesignaleerd in het Friese Kollum (Eje of Ije) en in 1508 bij Sebaldeburen in het Groningse Westerkwartier (Meyne Feringa, zie link ).. In “De Ommelander Borgen en Steenhuizen” van Forsma wordt vermeld dat in de 16e eeuw al diverse leden van een familie Feringe aan worden getroffen, met name Pabe, Jelto en Itke. Pabe Feringe wordt ook genoemd in "Tussen Hunze en Lauwers" van G.H. Ligterink, als een van de grote heerdenbezitters die in 1520 veroordeeld wordt door de Westerwarf te Groningen. In het zelfde boek staat vermeld dat op Aykemaheerd in de Westerhorn kort na 1500 zich een handgemeen afspeelt waar Lubbe Feringa van Lutjegast-Noord bij betrokken is.
In 1573 huurt ene Weghe Feringa kerkeland; samen met Allert Boykema en Johan Ennens is hij eigenaar van 14 grazen land in Ezinge (uit "Een vergeten plattelandselite" van H. Feenstra en H.H. Oudman).
¤ Rond 1640 wordt in Niehove (Gr.) Eje Hillies Feringa geboren op de hoeve Westerpama. Hij komt uit een voorname familie (vader heet Eje Jeltes Feringa, zijn grootvader dus zeer vermoedelijk Jelte Feringa) van hovelingen en compareert op de landdag. Hij had drie dochters, één ervan, Tietje Ejes, noemt echter haar enige zoon Eje Feringa! Haar beide dochters krijgen de achternaam naam Kimminga. Ik verkeerde in de veronderstelling dat deze tak uitgestorven was, door een Amerikaanse Feringa werd ik echter onlangs geïnformeerd dat hij afstamt van deze tak. Tietje, haar echtgenoot en haar zoon liggen begraven in de kerk van Niehove:
Anno 1749, den 15 january, is de eerbare Eje Feringa, zone van hoveling Cornelis Peters en Tietie Ejes Feringa, in haar leven woonagtig op Westerpama in het caspel Niehove, in 48 jaar zynes ouderdoms seer christelyk in den Heere ontslapen, verwagtende met alle waar gelovige een vrolyke opstandinge door jesum Christum onsen Heere.
Wapen: Gevierendeeld: I een halve adelaar; II op een terras een tegen een boom klimmend omgewend hert met een groot gewei; II drie klaverbladen; IV een met twee pijlen van boven naar beneden schuinkruislings doorstoken mensenhart.
¤ In 1658 gaat de edelsmid Geert Feringa in ondertrouw in de stad Groningen, hij is afkomstig uit Collum (Kollum). Hij krijgt 4 kinderen, alleen van dochter Regina zijn later nog sporen terug te vinden als echtgenote en moeder.
¤ Daniel de Hertoghe, geboren in Sluis in 1641, trekt met zijn stiefouders mee naar Groningen. In 1658 gaat hij studeren aan de universiteit, in 1666 koopt hij het huis Glimmen en in in 1669 huwt hij Cecilia Elisabeth Tamminga van Ludema, waardoor hij verbinding kreeg met de Ommelander adel en voor Uskwerd mag compareren op de landdag. In 1673 koopt hij de borg Feringa bij Grootegast van de weduwe Ketel. Vanaf dat moment voert zijn familie de titel “van Feringa” en compareert hij op de landdag voor Grootegast. Na zijn overlijden erft de oudste zoon Onno Jacob de Hertoghe van Feringa de borg, daarna zijn broer Unico Michiel. De borg wordt in 1746 afgebroken, vermoedelijk omdat door huwelijk en erfenissen de erfgenamen teveel steenhuizen moesten onderhouden. In 1812 sterft het geslacht in de mannelijke lijn uit. Zowel in de Menkemaborg (stamboom) als de borg Verhildersum (schilderij) komen we leden van dit geslacht tegen.
¤ In 1695 trouwt Ecke Jacobszn te Oldehove (Gr.), in 1696 wordt hij als bejaard persoon gedoopt in de Nederduits-Gereformeerde kerk te Oldehove. Hij heeft twee zoons, Jacob Eckeszn en Tymen Eckeszn Feringa. Al hun nakomelingen heten Feringa, deze tak bestaat nog. Over deze tak heeft K. Feringa een boek geschreven “Het geslacht Feringa”, in te zien in het Rijkarchief te Groningen.
¤ In 1698 wordt in Oldehove Jan Hielkes geboren, zoon van Hielke Jans en Geertje Tjeerds. Hij wordt schoolmeester, koster en doodgraver in Tolbert en krijgt twee kinderen, Pieter Jans Feringa en Hielke Jans Feringa. Pieter Jans Feringa krijgt geen zoons, Hielke Jans Feringa wel en deze tak bestaat in ieder geval nog in Nederland en de Verenigde Staten. De Feringa’s die een belangrijke rol spelen in het boek “Aan het Veen verknocht” van Derk Gort, behoren tot deze tak (nakomelingen van Jan Feringa en Wija Poppen, gehuwd in 1886 te Onstwedde).
¤ Vanaf 1715 krijgt de Rooms-katholieke stad-Groninger Jacob Geersema 5 kinderen. Zijn zoon Joannis Geersma (ook wel Jan Geertsema) krijgt drie kinderen. De familie lijkt uitgestorven te zijn, ware het niet dat Jan’s kleinzoon Wilhelmus Bartholomeus als Wilhelm Feringa in 1829 opduikt als bruidegom in Twist (D.), een dorp in de katholieke streek langs de Drentse grens. Wilhelm en de meeste van zijn nakomelingen trekken rond 1865 naar de de andere kant van de grens, wat we nu kennen als de dorpen Emmer-Compascuum, Barger-Compascuum en Zwartemeer. Dit waren voorheen onbewoonde streken, waar eeuwen lang vee geweid werd (in het Latijn compascii), eigendom van de Barger boeren. De Barger boeren verkochten dit gebied in 1860. De nieuwe eigenaren verpachtten – in afwachting van vervening – de grond aan arbeiders voor de verbouw van boekweit. Bij het contact met de burgerlijke stand van de gemeente Emmen kregen bijna alle Feringa’s de naam Veringa aangemeten. De latere minister G.H. Veringa is een van de leden van deze inmiddels grote tak Feringa’s / Veringa’s.
Omdat Wilhelm Feringa geboren is met een andere achternaam en op zijn overlijdensakte de juiste geboortedatum, maar het verkeerde geboortejaar (1805 i.p.v. 1801) voorkwam, heeft het lang geduurd voordat ik zijn doop uiteindelijk had getraceerd in de RK kerkboeken in Groningen. Bij de dood van zijn moeder in 1808 blijkt dat Willem nog leeft, over zijn wedervaren in de periode tussen 1808 en 1829 heb ik nog niets kunnen vinden.
Bovenstaande Wilhelm zal dus waarschijnlijk de naam Feringa hebben aangenomen. Dit gebeurde veelal in de Franse tijd (in 1811 of 1812) of bij de tweede achternaam-campagne van de Nederlandse overheid in 1826. Omdat Wilhelm’s vader overlijdt in 1819 in Groningen onder de naam Geertsema, neem ik aan dat Wilhelm het na 1819 gedaan heeft.
Als iemand me kan helpen aan extra informatie over mijn Feringa-Geersma theorie te bevestigen of ontkrachten, dan zou ik daar echt heel blij mee zijn.
¤ In 1717 trouwt in Grijpskerk (Gr.) Jelte Ijes Feringa. Gezien de voornaam Jelte sluit ik verwantschap met andere takken niet uit, maar vooralsnog heb ik verwantschap niet kunnen aantonen. De mannelijke lijn van deze familie sterft uit. In deze familie doet zich overigens ook een geval van het doorgeven van een achternaam van de moeder voor, namelijk van de dochter van Jelte Ijes naar haar zoon Hillebrand.
¤ In 1771 trouwt Haje Jacobs, zoon van Jacob Hayes en Anke Gerrits, in Feerwerd (ten Noord-Westen van Groningen). Bij zijn kinderen (vanaf 1772) verschijnt de achternaam Feringa. Hij had 4 zoons, vooralsnog lijkt het erop dat hier de mannelijke lijn uitgestorven is, maar daar heb ik nog geen uitputtend onderzoek naar gedaan.
¤ In 1777 wordt Jan Jeltes Feringa geboren in Noordhorn (Gr.), zoon van Jelte Jans Feringa en Grietje Kornelis Dijksterhuis. Jan Jeltes en zijn broer Kornelis (notabele in Oxwerd, bij Noordhorn) hebben geen nakomelingen.
¤ In 1795 doopt Onne Berends zijn vierde kind als Barber Onnes Feringa in Grijpskerk (Gr.). Deze tak bestaat nog. Voor meer informatie: http://members.chello.nl/~c.feringa/
¤ In 1807 wordt Eije Menses Feringa in Niehove (Gr.) vader van Attje Eijes Feringa. Hij krijgt geen zoons.
Als Napoleon voorschrijft dat iedereen een achternaam aanneemt, kiezen verschillende mensen in 1811/1812 voor de naam Feringa of een variant ervan:
· Gerrit Eelderts Feringa, 1811, Lemmer (Fr.).
· Nieske Jetses Veeringa, 1811, Kollum (Fr.).
· Jan Jans Huning, hierna bekend als Jan Jesias Veringa, 1811, Makkum (Fr.). Deze familie Huning komt oorspronkelijk uit Düsseldorf (D.). Zie www.veringa.org
· Gerrit Everts Ferenga, 27-4-1812, Grijpskerk (Gr.). Hij tekent echter als Feringa.
· Hillebrand Freerks Feringa, 27-4-1812, Grijpskerk (Gr.).
· Freerk Hillebrands Feringa, 29-4-1812, Grijpskerk (Gr.).
· Jan Wobbes Feringa, 28-4-1812, Grijpskerk (Gr.). Hij tekent als Jan Wobbes Feerenga.
· Jan Menses Feringa, 28-5-1812, Visvliet (Gr.).
· Laas Geutjens Feringa, 28-5-1812, Visvliet (Gr.).
· Jacob Hayes Feeringa, 16-4-1812, Feerwerd (Gr.). Vermoedelijk de vader of de oudste zoon van bovengenoemde Haje Jacobs.
· De kinderen en stiefkinderen van wijlen Ida Reinks en Haye Jacobs (bovengenoemd), 17-4-1812, Feerwerd (Gr.). Aangevraagd door hun stedevader Date Dates Tempel.
Helaas zijn in de provincie en met name de stad Groningen weinig gegevens bewaard gebleven van de naamsaannames, waardoor allerminst duidelijk is of bovenstaand overzicht compleet is.
Verder ben ik met name in de 2e helft van de 18e eeuw en de 1e helft van de 19e eeuw nog een hoop ‘losse’ Feringa’s tegengekomen, waarvan nog moet blijken of ze onder te brengen zijn bij één van bovengenoemde takken.
Opvallend is dat afgezien van de Drentse Verynge’s, de in Duitsland opduikende Wilhelm Feringa en twee gevallen te Lemmer en Makkum, alle Feringa’s lijken te ontstaan in een relatief klein gebied in het Groningse Westerkwartier (Niehove, Oldehove, Feerwerd, Grijpskerk, Sebaldeburen, Visvliet, Noordhorn) en het nabijgelegen Kollum.